december - bovenbouw


Voor de eerste keer zijn we gestart met een filosofische enquête rond geluk.

Als groep zijn de leerlingen verdeeld in kleinere groepjes.  Ze krijgen allen een blad met de vraag in het vetjes (thema) en de mogelijke antwoorden. De leerlingen moeten eerst zelf de antwoorden aandachtig bekijken en er maximum 3 aanduiden die voor hen een antwoord is op de vraag: geluk is ... .
Vervolgens gaan ze in hun klein groepje een woordvoerder aanduiden.  Deze zal in een volgende sessie een discussie starten met de andere groepen. In het kleine groepje zal er nu een discussie komen omdat ze samen één top 3 moeten formuleren, een top 3 waar elk van hun groepje ten volle achter staat.  Bij de één verliep dit al wat vlotter dan bij de ander. 
Hieronder vindt u zelf de enquête indien u deze ook eens wilt bestuderen. 

geluk is ....
  1. vrienden om mij heen hebben
  2. een warm gezin
  3. de vervulling van al min levenswensen
  4. geld
  5. eeuwig durende verliefdheid
  6. je plicht doen
  7. een geweldige job
  8. bekend en populair zijn
  9. de zekerheid dat in de toekomst niets verandert
  10. een natuurwandeling
  11. een wereldreis
  12. van korte duur
  13. iets gevaarlijks doen
  14. huisje, boompje, beestje (metro, dodo, boulot)
  15. een nieuwe en betere samenleving
  16. mezelf zijn
  17. het ongeluk van de anderen
  18. iets waarnaar iedereen op zoek moet gaan
  19. totale bevrediging van al mijn lusten en behoeften
  20. een illusie
  21. goede daden verrichten
  22. geen angsten meer kennen
  23. geen schuldgevoelens meer hebben
  24. het geluk dat anderen om mij heen ten deel valt
  25. doen waar ik zelf zin in heb
  26. de perfecte partner
  27. gehoord en gewaardeerd worden
  28. …………………………………………………………………………………


december - onderbouw

Met de onderbouw zijn we gestart met een diepgaand gesprek rond geheimen. Hier kwamen volgende vragen aan bod:

1. Van wie zijn geheimen?
'Van jezelf' antwoordde er iemand maar daar kwam direct een reactie op van een aantal leerlingen dat je toch ook een klasgeheim kunt hebben.  De ene leerling knikte en zonder gemor paste hij/zij z'n mening wat aan want sommige geheimen zijn toch van mij en van mij alleen. 
2. Is een geheim nog een geheim als je het aan iemand anders vertelt?
Goh, hier was er eerst wat stilte. Vervolgens kreeg je allerlei meningen en wat zo fijn was, is dat de leerlingen zelf vertelden dat ieders mening juist was.  
3. Kun je samen een geheim hebben?
Hier kwam er een volmondige ja en de voorbeelden die ze gaven, spraken boekdelen.  Uit respect voor ieders geheim kan ik dit niet online zetten.  
4. Heb je geheimen die je nog nooit aan iemand anders verteld hebt? [niet vertellen!]
Tja, .... ook hier kan ik jammer genoeg geen voorbeeld geven. 
5. Kan een kat geheimen hebben? En een hond? En een boom? Waarom wel? Waarom niet?
Hier werd er lang bij stilgestaan. Leerlingen begonnen hier elkaar vragen te stellen waar ik als juf heel tevreden mee was.  Je voelde het respect voor ieders antwoord maar ook de vraag naar meer uitleg, naar meer duiding, enz.
6. Kun je zien of iemand een geheim heeft? Kan iemand aan jou zien of je een geheim hebt?
Deze vraag leek makkelijk maar was uiteindelijk wel een 'rare' vraag.  


november - onderbouw


Deze sessie voor onderbouw zijn we gestart met een verhaal.  

KASPER KAN NIETS VERGETEN
Kasper loopt de klas binnen. Alle kinderen kijken naar hem. Zo hebben ze Kasper nog nooit gezien. Kasper heeft allemaal touwtjes achter zich hangen. Aan het eind van al die touwtjes zitten briefjes. Op die briefjes staan woorden geschreven.
Vanuit de klas wordt van alles geroepen.
'Kasper, wat zijn dat voor briefjes?'
'Kasper, Kasper, Kasper, pas op je struikelt.'
'Kasper, mag ik eerst touwtje trekken?'
Kasper gaat heel rustig zitten. Kasper weet dat hij vandaag niets vergeten is. Alles wat Kasper kan vergeten, staat op zijn briefjes. Vandaag gaat het niet mis met Kasper.
Wat staat er op al die briefjes?
Op een briefje staat dat Kasper Kasper heet.
Op een briefje staat wie de vader en de moeder van Kasper zijn.
Op een briefje staat waar Kasper gisteren gespeeld heeft.
Op een briefje staat: in de winter winterjas aan, in de zomer zomerjas aan.
Op een briefje staat: in het weekend tv kijken.
Op een briefje staat dat zondag de dag na zaterdag is en de dag voor maandag.
Op een briefje staat dat je met je ogen moet knipperen als je in de zon kijkt.
Op een briefje staat dat je ‘bedankt’ moet zeggen als je wat lekkers in de winkel krijgt.
Op een briefje staat: doortrekken op de wc!
Op een briefje staat dat je op school niet ‘poep’ mag zeggen.
Wat kun je eigenlijk wel en wat kun je niet vergeten?
Dat is het enige probleem. Kasper weet niet zeker of alles wat je kunt vergeten op zijn briefjes staat.
Is Kasper niets vergeten?

Spontane reacties: je kunt toch niet alles opschrijven, dat is toch gek, ik weet wel dat ik moet doortrekken op de wc hoor, dat zou ik nu toch allemaal niet opschrijven, waarom staat er niet op waar zijn adres is,...

Enkele vergeetvragen die we behandeld hebben: 
1. Vergeet je wel eens iets? 
Ja hoor, ik vergeet soms mijn pyjama aan te trekken.  Ja, ik vergeet soms oefeningen te maken.  Mijn mama vergat vorige week ook iets.  Ze ging een rok kopen maar is thuisgekomen met twee broeken en een trui.  Mama vertelde aan papa dat ze de rok vergeten was.

2. Kun je vergeten dat je in het weekend niet naar school hoeft? 
Neen want ik ga in het weekend naar de zwemles.  Neen, want ik ga naar de scouts.

3. Kun je vergeten te knipperen met je ogen als je in de zon kijkt? Neen, dat gaat automatisch.  Ja, ik kijk altijd naar de zon.


Wat moeilijker:

4. Kun je iets expres vergeten? 
Ja en neen want als je het expres vergeet dan weet je het eigenlijk nog en ben je dit dus niet vergeten. (leerling eerste leerjaar)

5. Wat weet je zeker dat je volgend jaar nog weet? 
De filosofielessen, de naam van onze juf, de tafels, ...

oktober

Ons eerste thema ging over dromen en gedachten.
Dit thema werd gedaan voor de leerlingen van het eerste, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde leerjaar.

Hier dachten we na over de volgende vragen:
  1. Denk je anders als je in bed ligt?
  2. Kan je gedachten dromen?
  3. Kan je in een droom nadenken?
  4. Kan je overdag dromen?
  5. Wanneer zit jouw hoofd vol gedachten?
  6. Heeft je hoofd weleens zonder gedachten gezeten?
Enkele bedenkingen van' leerlingen:
bij vraag 1: 'Ja, als ik nachtmerries krijg.' 'Als je rust kun je beter nadenken.  Als er veel lawaai is, lukt dit niet.'
bij vraag 2: 'Ja zeker, want gedachten zijn dromen.' 'Ja, als je denkt dan droom je een klein beetje.'
bij vraag 3: 'Ik denk nooit in een droom, omdat je dan niet wakker bent.' 'Ja, ik wel want dat is dromen!'
bij vraag 4: 'Ja, dat noemt men dagdromen, dat is dromen overdag als je naar iets kijkt.' 'Als je lang naar iets kijkt, begin je te dromen.'
bij vraag 5: 'Als ik naar muziek luister.' 'Als ik slaap want dan zijn er filmpjes in mijn hersenen en dan denk je na over die beelden.' 'Mijn mama zegt dat soms als ik iets vraag.'
bij vraag 6: 'Nee, want ik heb altijd veel aan mijn hoofd.' 'Volgens mij kan dit niet.'

De leerlingen gaan dan ook telkens in discussie met elkaar op een respectvolle manier. Hierdoor kunnen sommige argumenten nog duidelijker worden voor sommigen maar soms kan het ook anders uitdraaien.  Dan ontstaat er twijfel en tenslotte een wijziging in eigen argumenten. 

Hebt u zelf argumenten om één van deze vragen te duiden? (Misschien materiaal dat we dan kunnen gebruiken voor een volgende filosofieles rond dromen en gedachten.) Noteer het gerust hieronder.  
Weet: JE KUNT GEEN FOUTEN MAKEN.  AL WAT JE DENKT IS GOED!!